“Waarom moet hoop realistisch zijn?”
Hoop laat zich niet vatten of sturen, stelt Erik Olsman, universitair hoofddocent Geestelijk Verzorging aan de Protestantse Theologische Universiteit: “Hoop zit vol tegenstrijdigheden en vaak hebben mensen de neiging om dat glad te strijken. Ik vind het belangrijk dat de rafelranden en contrasten er gewoon mogen zijn; in wie we zijn én in hoe we hopen.”
Sinds tien jaar doet Olsman onderzoek naar de rol van hoop in de gezondheidszorg. In gesprek met patiënten, naasten en zorgverleners ziet hij hoe hoop op allerlei manieren opduikt, júist in zware en ingewikkelde situaties: “Ik zie hoe mensen met ongeneeslijke ziektes steeds verder achteruitgaan, maar toch op dingen blijven hopen. Dat raakt me. Het fascineert me ook. De drang om te leven en te hopen is zo groot, dat hoop zich zelfs aandient als er rationeel gezien niks meer is om op te hopen. Dat is natuurlijk niet altijd zo, er zijn ook situaties waar er geen hoop is. Er móet ook niet altijd hoop zijn, denk ik. Maar de kracht die mensen ontlenen aan hoop, dat drijft me. Daar getuige van te mogen zijn.”
Wat heb je in al die jaren van onderzoek ontdekt als het gaat om hoe hoop werkt?
“Hoop speelt altijd een rol. Zij komt de spreekkamer van de dokter in, of is er ineens als iemand gedoucht wordt door een verpleegkundige. Hoop dient zich gewoon aan. De vraag is dan hoe je erop reageert. Met mijn onderzoek wil ik daarin handvaten bieden. Op basis van wat ik heb gezien in de praktijk en ontdekt in wetenschappelijk onderzoek, onderscheid ik drie manieren waarop hoop zich uit. Allereerst kan hoop zich laten zien als een verwachting, gebaseerd op een realistische weergave van de werkelijkheid. Als tweede kan hoop zich manifesteren als veerkracht, die mensen helpt staande te blijven te midden van tegenspoed. Als laatste is er dan nog hoop die zich als een verlangen uit. Deze uitingen bieden drie perspectieven op hoop die zorgverleners of naasten kunnen helpen in het gesprek over hoop. Zo zie je in de zorg bijvoorbeeld vaak dat het realistische perspectief de nadruk krijgt. Dat is ook de plicht van dokters: dat ze mensen goed informeren over wat er te verwachten valt. De kunst is dan dat zij zichzelf niet opsluiten in die benadering van hoop, daarmee kan de arts zich helemaal klem zetten. Als je je primair richt op of de geuite hoop al dan niet realistisch is, kan je zomaar voorbijgaan aan de functionele kant van hoop, namelijk dat zij veerkrachtig maakt. Laat staan dat je dan nog oog hebt voor het verlangen dat in de hoop doorklinkt.”
Is hoop ook iets wat je iemand kan geven, bijvoorbeeld als naaste, geestelijk verzorger of predikant?
“Het idee dat je hoop uit je rugzak kunt pakken en aan iemand cadeau kan doen – daar ben ik wel kritisch op. Zo werkt hoop niet. Wanneer iemand diep in de put zit moet je eerst maar eens gewoon naast diegene in die put gaan zitten. Dan kán er soms een klein lichtje ontstaan, dat kan. Daarvoor is het wel nodig dat je eerst naast diegene zit en erkent hoe donker en zwaar het op dat moment is voor hem of haar. Hoop is niet zomaar een trukendoos die je van stal haalt. Het kan gebeuren, hoop kan ontstaan. We kunnen dingen doen om hoop te wekken, maar daarmee moeten we voorzichtig zijn. Het wordt al gauw een goedkope troostsmoes: dan wil ik graag hoop bieden omdat ík het zwaar vind dat die ander het zo moeilijk heeft. Getuige zijn van lijden is ook zwaar. Zeker voor predikanten, geestelijk verzorgers en andere zorgverleners die hier dagelijks mee te maken hebben. Hoop vergt dan vooral uitstellen. Er moet eerst en vooral ruimte zijn voor compassie en de erkenning van het lijden. Daarna kan je gaandeweg misschien iets zeggen over waar je zélf nog wel hoop ziet. Hoop kan een weg vormen van het donker naar het licht. Zij is niet simpelweg een licht in de duisternis in de vorm van een lamp die je aanklikt. Hoop is ongrijpbaar en oncontroleerbaar.”
Hoop doet leven, wordt er wel gezegd. Zie jij dat ook zo?
“Ja. Maar om vervolgens te stellen dat er zonder hoop geen leven is, dat gaat denk ik te ver. Ik heb mensen ontmoet voor wie het bevrijdend was om de hoop juist te laten varen. Mensen met een ongeneeslijke levensbedreigende aandoening die zeiden: ‘Ik heb geen hoop en dat is prima’. Zij waren niet wanhopig of hopeloos; ze konden bijvoorbeeld nog wel hopen op een leuke dag. Maar niet meer te ‘hoeven’ hopen, dat loslaten, was juist ontspannen voor ze. Zij wisten op dat moment even niet wat hun houvast was, maar vonden dat niet zo erg. En op een ander moment was het wél erg, raakte de wanhoop hen vol in hun hart. Wat ik hiermee ook wil zeggen is dat hoop niet eenduidig is. Zij kan hand in hand gaan met wanhoop. Hoop kan weg zijn zonder dat het erg is, soms is ze er tegen beter weten in. Of gaat ze samen met een tegengestelde hoop: mensen kunnen hopen op een medicijn terwijl ze tegelijkertijd hopen op een rustig einde. Hoop zit vol tegenstrijdigheden en vaak hebben mensen de neiging om dat glad te strijken. Dan hoor ik bijvoorbeeld een zorgverlener zeggen: ‘Deze meneer wil er nog niet aan dat hij deze ongeneeslijke ziekte heeft’. Die uitspraak veronderstelt dat hij een hoop moet hebben die realistisch is. Maar ik vraag me dan af waarom dat moet, en van wie dat moet. Is het erg als mensen iets hopen dat niet spoort met de werkelijkheid? Dat moeten accepteren is iets wat vaak in de lucht hangt bij erge dingen die ons overkomen. Maar hoezo? Wie bepaalt wat acceptatie is en of we dat wel of niet goed doen? Het is een keurslijf waar we elkaar in drukken. Ik vind het belangrijk dat de rafelranden en contrasten er gewoon mogen zijn; in wie we zijn en hoe we hopen.”
Je bent ook theoloog. Op welke manier beïnvloed dat jouw denken over hoop?
“Dat hoop de ruimte kan krijgen wanneer je pijn en lijden niet wegwuift maar juist ten volle erkent – dat is Bijbels en bij uitstek een theologische taak. Wie dien je ermee door het moeilijke glad te strijken? Waarschijnlijk doe je dat dan voor jezelf, omdat je het zelf anders niet aankunt. Maar er is pijn die altijd blijft. Wanneer Jakob worstelt met een engel bij Pniël raakt hij voor zijn leven gemankeerd aan z’n heup, zonder dat dat ooit geneest. Ook na Jezus opstanding laat hij zijn wonden zien, die er nog steeds zijn. Ik denk dat middenin pijn de hoop de ruimte kan krijgen. Door bijvoorbeeld onze ervaringen van gewond-zijn te delen, of door het met rituelen te symboliseren. Henri Nouwen schreef in dit verband over ‘the wounded healer’: vanuit het gewond-zijn kan heling ontstaan. Gesprekken en rituelen die hierin gegrond zijn kunnen een bron van hoop zijn.”
Hoe kan dat er concreet uitzien?
“Dat kan op zoveel manieren. Zo heb ik eens een vrouw in een hospice ondersteund bij het schrijven van een brief aan een zoon die ze nooit meer zag, omdat hij haar niet meer wilde zien. Ze gaf daarin woorden aan wat ze nog wilde zeggen tegen haar zoon, en de pijn die de hele situatie haar deed. Of ze die brief wel of niet aan haar zoon wilde geven, daar ging het niet om. Het ging om haar eigen proces en verwerking. Maar het hoeft niet ingewikkeld of zwaar te zijn. Vraag elkaar gewoon eens: ‘Waar hoop je op?’ Het antwoord kan heel verschillend zijn, maar over dat verschil kan je het dan hebben. Je maakt dan voor elkaar inzichtelijk hoe je hoopt dat de toekomst, of die nou kort of lang duurt, eruitziet. Dat is belangrijk om te bespreken zodat je daarin rekening met elkaar te houden. Als dat een te spannende of te moeilijke vraag is kan je ook zoiets vragen als: ‘Waar zie je naar uit de komende tijd?’, of: ‘Wat geeft jou op dit moment kracht, of heeft jou altijd kracht gegeven?’.”
Dus hoop kan je niet vatten en moet de ruimte krijgen. Zijn er dan geen onmisbare ingrediënten of randvoorwaarden voor hoop?
“In de meest miserabele situaties blijken mensen nog te kunnen hopen. Holocaust overlever Viktor Frankl schreef dat als hij geen hoop had gehad, hij de concentratiekampen niet had overleefd. Later waren er echter andere overlevenden die zeiden dat ze helemaal geen hoop hadden gehad, maar het toch hadden overleefd. Dat relativeert het een beetje, maar Frankl laat hiermee wel zien dat hij en anderen ondanks alles hoop wisten te koesteren. Dus of er randvoorwaarden zijn voor hoop? Ik denk dat het zonder verbeeldingskracht lastig wordt. Je moet een beetje kunnen dromen. Hopen doe je immers alleen wanneer iets onzeker is. Daarom zie je dat hopen in de Griekse filosofie, maar ook bij Nietzsche bijvoorbeeld, als iets negatiefs wordt gezien. Hoop trekt zich maar zelden iets aan van ratio en rede. Dat roept scepsis op, en niet alleen bij filosofen. Wat ik nog meer heb gezien is dat hoop vaak ontstaat in relatie tot een ander. Ook interessant is dat toen ik alle onderzoeken bestudeerde die gaan over de rol van hoop in de gezondheidszorg, ze allemaal een ding gemeen hadden in hun conclusie: dat mensen hoop krijgen wanneer ze zich kunnen identificeren met mensen die in dezelfde situatie zitten. Zoals ervaringsdeskundigen die vertellen hoe ze zelf betekenis hebben gegeven aan wat ze hebben meegemaakt, dat blijkt steevast een belangrijke bron van hoop te zijn.”
Wanneer heb je zelf hoop het hardst nodig gehad?
“Ik heb een mentor gehad die om het leven is gebracht, zomaar. Toen had ik hoop echt wel fijn gevonden, maar ik weet niet of ik haar had. Ik had hem een maand daarvoor nog uitgebreid gesproken, en dat was goed en mooi. Ik hield van hem, of houd van hem, ik keek tegen hem op – en toen was hij er ineens niet meer omdat een ander hem van het leven beroofde. Dat heeft me pijn gedaan. Het was ook zwart. Ondertussen ging ik wel door, maar volgens mij zonder hoop. Iets anders waar ik aan moet denken is de klimaatcrisis. Ik vraag me af hoe dat in vredesnaam goed moet komen. Ik weet het niet. Dan ontbreekt het me aan verbeeldingskracht om me voor te stellen hoe dat eruit kan zien. Er moet zoveel gebeuren. En dan de arbeidstekorten in de zorg, het onderwijs en defensie; plekken waar we écht mensen nodig gaan hebben. Hoe moet dat goed komen? Volgens mij maak ik me meer zorgen dan dat ik hoop heb.”
Wat maakt dat je niet verdrinkt in die zorgen?
“Ik probeer me te richten op datgene waar ik wel invloed op heb. En ik blijf het leven delen met anderen, ook met hen die ik niet in de eerste plaats zelf heb gekozen. Zij helpen mij om me open te stellen voor een wereld die groter is dan mijn ‘bubbel’. Verder is muziek voor mij een belangrijke bron van hoop. Ik speel piano en zing klassieke muziek, dat vind ik prachtig om te doen. Het verbindt me met een groter verleden, net zoals de christelijke traditie dat doet; het stelt me in staat uit te zoomen, dingen in perspectief te plaatsen. En door muziek te maken ben ik even uit mijn hoofd en in mijn lijf, dat helpt.”
Waar hoop jij zelf ten diepste op?
“Het laat zich bij mij vaak zien als een vurig verlangen dat iets goed komt. Ik hoop dat mensen die hun naasten verliezen hun weg vinden, dat het leven voor hen de moeite waard wordt, is of blijft. Op een nog dieper niveau hoop ik op een betere wereld waar het voor iedereen goed toeven is. Waar ook gemarginaliseerden een plek krijgen. Hoe realistisch die hoop is durf ik niet te zeggen. Maar toch blijft die hoop er op een of andere manier. Zij wordt bij mij gevoed door het grotere verhaal van de Bijbel, dat het koninkrijk van God er al is maar ook nog komt. Ik vind het troostrijk dat ik niet iedere dag met het mes op de keel word gevraagd of ik daadwerkelijk geloof in de terugkomst van Jezus en de opstanding van de doden. Sommige dagen geloof ik het wel, andere niet – ook dat is een tegenstrijdigheid die ik niet wil gladstrijken. Maar ik zal nooit zeggen dat we deze hoop moeten afschaffen omdat zij achterhaald is. Deze christelijke hoop bestaat – gelukkig – ook onafhankelijk van mij. Zoals Huub Oosterhuis dat zo mooi heeft gedicht in het lied ‘De steppe zal bloeien’:
‘De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
Dode, dode, sta op,
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond
En wij zullen horen.
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven.’”
<Paspoort>
Dr. Erik Olsman (1980) is universitair hoofddocent geestelijke verzorging aan de Protestantse Theologische Universiteit, ethicus in een Regionale Toetsingscommissie Euthanasie en voorzitter van de Queer Theologen. Hij studeerde cum laude af in de theologie (Vrije Universiteit), promoveerde op hoop in palliatieve zorg in medische ethiek (Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam) en werkte als geestelijk verzorger in psychiatrie en palliatieve zorg en als universitair docent medische ethiek. Hij verricht al ruim tien jaar wetenschappelijk onderzoek naar hoop in de gezondheidszorg.